Bijen in het bos

Zitten er eigenlijk bijen in het bos? In het Geuldal is een grote afwisseling van landschapstypes aanwezig. Een van de types die nog niet in het boshommellandschap-project opgenomen is, zijn de hellingbossen. Hellingbossen worden getypeerd door een zeer diverse en karakteristieke ondergroei met voorjaarsbloeiers. Het gaat daarbij niet alleen om uitbundige bloeiers zoals bosanemoon, speenkruid en daslook maar ook zeldzamere en schaarsere planten zoals slanke sleutelbloem, mannetjesorchis, christoffelkruid en zwartblauwe rapunzel. Een mogelijke bedreiging voor de hellingbosflora is het afspoelen van voedingsstoffen van hoger gelegen akkers, waardoor een ruigere vegetatie ontstaat. Over het belang van deze hellingbossen en hun plantensoorten voor bijen is echter weinig bekend. MSc studente Femke Kleisterlee heeft hier in 2020 onderzoek naar gedaan.

Bloemrijke ondergroei in hellingbossen, foto F. Kleisterlee

Femke heeft een vergelijking gemaakt tussen hellingbossen op locaties met een hoog erosierisico en bossen op plekken met laag risico. Daarnaast heeft ze ook het verschil in planten- en bijendiversiteit vergeleken tussen bosranden en binnenin het bos.

Transect in een bosrand naast een akker gelegen, foto F. Kleisterlee

Bossen met meer risico op afspoeling van akkers hadden een lagere diversiteit en lager voorkomen van voor hellingbossen karakteristieke planten dan bossen op locaties met minder risico. Dit wijst op een verschuiving naar planten die beter met veel voedingsstoffen om kunnen gaan zoals bramen en klimop. Verassend genoeg waren hier wel weer meer bijen te vinden, waarschijnlijk omdat bijen graag op deze planten vliegen. De hoeveelheid bijensoorten verschilde niet tussen de locaties.

Verruigde randen, bijvoorbeeld met brandnetel en bramen, kunnen duiden op uitspoeling van voedingsstoffen uit de akkers, foto F. Kleisterlee

Bosranden hadden een hogere bloemendiversiteit, bloembeschikbaarheid en meer bijen dan binnenin de hellingbossen. Binnenin de bossen werd een vergelijkbare hoeveelheid bijen gevonden als in scheerhagen in het Geuldal, iets minder soortenrijk dan in open habitats. In de randen waren er dus meer bijen, vergelijkbaar met de hoeveelheden in wegbermen, weilanden en akkerranden. Daarnaast waren er ook meer mannetjesbijen aangetroffen in de randen dan binnenin het bos. Aangezien mannetjesbijen geen nectar of pollen verzamelen maar vooral op zoek zijn naar vrouwtjes zou dit kunnen betekenen dat randen vooral van belang zijn als nestgelegenheid.

Akkerhommel (Bombus pascuorum) op witte dovenetel, foto F. Kleijsterlee

De Limburgse hellingbossen blijken dus een belangrijke habitat te zijn voor bijen, en specifiek ook als nestlocatie. Open bosranden herbergen meer bloemen en meer bijen. Het creëren van deze open omstandigheden kan helpen om de bijenstand te verbeteren, net zoals open randen en middenbosbeheer ook van groot belang zijn voor de karakteristieke hellingbosflora. Te sterke verruiging na kap is echter een risico. Om het voorkomen van karakteristieke planten- en bijensoorten in deze hellingbossen te stimuleren is het in elk geval van belang uitspoeling van akkers boven deze hellingbossen te reduceren. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen van bufferstroken langs akkers. Het belang van deze hellingbossen voor de bijen geeft maar weer aan dat alle onderdelen in het landschap bij kunnen dragen aan het in stand houden en uitbreiden van bijenpopulaties.

Een bufferrand langs akkers kan helpen uitspoeling naar de hellingbossen te voorkomen, foto F. Kleisterlee

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.